Het paradijs van de Filipijnen

De Calamian-eilanden betoveren  bezoekers met een schoonheid die in schril contrast staat met hun roerige verleden.

Christophe Migeon 
uit Figaro Magazine 

Het is een zandbank van een meter of dertig breed, van alle kanten bestookt door schuimende golven die als commando’s op haar afstormen. De branding rolt stukken koraal heen en weer, schuurt ze en laat ze achter op het strand, zo wit en glad als een oude schedel. Aan dit piepkleine stukje droog land ligt een rots vastgemeerd, begroeid met een pluk struikgewas waar zelfs een uitgemergelde geit nauwelijks haar buik mee zou kunnen vullen.

Geen boom te bekennen. En rondom niets dan de zee, lauw als een kom soep. Tussen paradijs en hel is alles een kwestie van perspectief. Het eilandje Malpagalen, evenzeer de nachtmerrie van een schipbreukeling als een paradijs voor toeristen die heel even het Robinson Crusoe-gevoel willen ervaren, drijft net als de andere Calamian-eilanden ten noordoosten van Palawan, op ruim 300 kilometer van Manilla. Je kunt er het beste aan het einde van de middag naartoe gaan, onder een koepel van diepblauwe lucht. Terwijl je luistert naar het monotone ritme van de golven en langzaam het gevoel krijgt dat je alleen op de wereld bent, zakt de zon in de avondschemering achter de horizon. Dan is het tijd om terug te keren naar Dimakya, het eiland waar het Discovery Coron Resort ligt. De enorme varanen die tussen de tafeltjes van het restaurant patrouilleren, hun gevorkte tong voortdurend op zoek naar een hapje dat van een bord is gevallen, lijken zich uitstekend thuis te voelen in deze vreedzame co-existentie.

Maar het meest verrassende schouwspel speelt zich af in de bomen. Hun takken hangen vol merkwaardige, overrijpe vruchten die loom in de vochtige lucht bungelen, alsof ze elk moment vanzelf naar beneden kunnen vallen. Tussen een oorverdovend gekwetter brengen duizenden Filipijnse goudkruinvleerhonden de dag ondersteboven hangend door. Zachtjes wapperend met hun zwarte, leerachtige vleugels proberen ze wat verkoeling te vinden. En zodra de avond valt en de schemer de hemel roze en paars kleurt, spreidt deze hele prachtige menigte haar vleugels en vertrekt in rustige eskaders op zoek naar guaves, bananen en papaja’s, diep in de slapende bossen. Al eeuwen, misschien zelfs al millennia, vliegen deze charmante vleermuizen heen en weer tussen hun verblijfplaats op Dimakya en de boomkruinen van het naburige eiland. Als de tuinmannen van de tropen zorgen ze voor de bestuiving en verbinden ze de bomen met elkaar in een levend netwerk.

Op het eiland Busuanga, het economische centrum van de archipel, legt een man groenten klaar in zijn marktkraam.
Foto : Dallas Stribley / gettyimages

een bezoek aan het eiland Calauit, op een uur varen, mag in deze merkwaardige dierenwereld niet ontbreken. Voor de oostkust strekken zich zeegrasvelden uit in ondiep water – een bescheiden voedselbron waar een zeedier dat voor veel duikers bijna mythische proporties heeft bijzonder dol op is. Hier leeft een populatie van zo’n dertig doejongs, de Indo-Pacifische verwanten van de zeekoe. Met sommige kun je zelfs duiken, onder wie twee jonge mannetjes die zich totaal niets aantrekken van de aanwezigheid van mensen. Er zijn maar weinig plekken op aarde waar zo’n ontmoeting mogelijk is. De zes boten die in de baai voor anker liggen doen misschien anders vermoeden, maar door de inheemse Tagbanua-gemeenschap aangestelde rangers houden streng toezicht: niet meer dan vijf mensen tegelijk bij het dier, een afstand van minimaal vijf meter en maximaal een kwartier in het water.

Onze doejong rust wat in het ondiepe water. Dat het tijd is voor zijn middagdutje, zou het benaderen gemakkelijker moeten maken. Helaas. Half slapend – ongetwijfeld wegdromend over een zeemeermin – beweegt hij rustig zijn staart en zwemt hij in een verrassend stevig tempo weg, zonder zijn kenmerkend kalme, slaperige uitstraling te verliezen. Met de vinnen in turbostand en slierten luchtbellen achter zich aan besluit de duiker uiteindelijk dat vijftien minuten meer dan genoeg is geweest om kennis te maken. Hij komt uitgeput boven water, zijn knieën voelen alsof ze met heet water zijn gevuld, maar zijn ziel jubelt van vreugde omdat hij even heeft mogen optrekken met een levende legende van drie meter lang en een halve ton zwaar.

achter het grote eiland Busuanga, waar de vleerhonden ’s nachts op zoek gaan naar voedsel, liggen de groene wateren van Coron Bay. Hier begint de Suluzee, een naam die klinkt als een piratenzeil en avontuur belooft. Een wereld op de grens van lucht en water, waar met jungle begroeide eilandjes zich als kromme ruggen verheffen tussen zandbanken en de grillige randen van mangrovebossen. Hier en daar rijzen primitieve kalkstenen kathedralen op, waarvan de wanden door een eeuwigheid van moessons zijn uitgesleten. Taaie, onverzettelijke vegetatie weet zich zelfs hier een plek te veroveren.

De Twin Lagoon op het eiland Coron, waar zoet en zout water samenkomen, is een natuurlijke trekpleister die bijzonder populair is bij toeristen.
Foto: Simon Dannhauer / gettyimages

Sangat Island is zo’n zonovergoten paradijshoekje. In de jaren 90 bouwde de Engelsman Andy Pownall, op zoek naar exotiek, zijn eerste bungalow op dit eiland, dat toen alleen werd bewoond door een kolonie langstaartmakaken. Tegenwoordig staan er 22 chalets met gevlochten bamboewanden en daken van nipapalmen – een palmsoort die groeit in water en mangrovegebieden – verspreid onder de kokospalmen langs de kust. Hangmatten deinen mee op de zeebries en de apen halen nog altijd hun vertrouwde streken uit hoog in de bomen. Vanaf Sangat stap je aan boord van een bangka, een traditionele Filipijnse boot, om een baai te verkennen die zo rustig is als een bergmeer. Deze boten ogen altijd een beetje wankel en hebben daarom aan weerszijden van de romp lange bamboedrijvers om ze in evenwicht te houden – net als de zijwieltjes van een kinderfiets.

De boeg snijdt door het zijdezachte water op weg naar de mooiste plekken: Lake Kayangan, een juweel van kristalhelder water, omringd door steile kalksteenrotsen; de Twin Lagoon, twee perfect ronde lagunes met indigoblauw water, alsof ze met een passer zijn getekend; en Siete Pecados, een halve cirkel van zeven kleine rotseilandjes begroeid met pandanusbomen.

DEZE TOCHTEN per bangka, afgewisseld met snorkelsessies en luieren op verlaten strandjes, staan bekend als island hopping. Tachtig jaar geleden had van eiland naar eiland hoppen echter niets toeristisch. De term verwees toen naar de strategie die admiraal Nimitz en generaal MacArthur ontwikkelden om de Stille Oceaan te heroveren.

Een tastbaar bewijs van het succes van die strategie ligt op een diepte van 15 tot 30 meter in Coron Bay. Op 24 september 1944 vernietigden ongeveer honderd Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en bommenwerpers een kleine Japanse bevoorradingsvloot die was gevlucht voor de aanvallen op Manilla en zich veilig waande in het doolhof van de Calamian-eilanden. Binnen een kwartier zonken twaalf schepen – vrachtschepen, patrouilleboten, olietankers en andere vaartuigen – en sindsdien wachten ze op duikers die hen bezoeken.

De Irako is een vrachtschip van zo’n 147 meter en misschien wel het beroemdste wrak van heel Zuidoost-Azië. Door het luik van het kolenruim kijk je zo het verroeste binnenste van het schip in. Slechts enkele vleermuisvissen, herkenbaar aan hun grote vinnen, houden er de wacht. In het licht van de duiklamp verschijnen twee verwaarloosde fietsen, toiletruimtes met afbrokkelende keramische tegels en een mitrailleurkoepel die door tientallen jaren onder water te hebben gelegen is aangetast. Voor deze indrukwekkende overblijfselen is de wapenstilstand nooit getekend; de oorlog woedt er nog altijd voort – de oorlog van het zeewater tegen het metaal.

tegenover sangat ligt het eiland Culion, dat lange tijd bekendstond als het ‘Eiland zonder terugkeer’, het ‘Eiland van de levende doden’ of het ‘Eiland van verdriet’. Toen de Verenigde Staten in 1898 de Filipijnen in bezit namen, telde de archipel zo’n 30.000 leprapatiënten, voor wie nog geen behandeling bestond. Om de verspreiding van de ziekte tegen te gaan besloten de autoriteiten al in 1906 op Culion een verplichte quarantainekolonie in te richten voor alle Filipijnen die aan lepra leden.

Uitzicht op het eiland Culion, dat in het begin van de twintigste eeuw de grootste leprakolonie ter wereld was.
Foto : Wirestock / GettyImages

Al snel groeide het eiland uit tot de grootste leprakolonie ter wereld. In de jaren 30 woonden er bijna 7000 mensen: ongelukkigen die van hun familie waren gescheiden, soms zelfs ten onrechte als leprapatiënt waren bestempeld, maar die – vrijwillig of noodgedwongen – hun leven zo goed mogelijk organiseerden om hun waardigheid te behouden. Sommigen legden tuinen aan, hielden vee, richtten een orkest op of stelden een eigen politiekorps samen. Anderen sloegen op de vlucht.

Sinds ongeveer veertig jaar is de ziekte op het eiland uitgeroeid. In 1988 werd Culion officieel lepravrij verklaard. Sindsdien staat het eiland open voor toeristen die meer willen weten over deze aangrijpende geschiedenis.

Driekwart van de huidige inwoners stamt af van leprapatiënten. “Lepra is tegenwoordig goed te behandelen, maar de schade aan handen, voeten en ogen kan enorm zijn. Bovendien rust er nog altijd een groot stigma op de ziekte”, vertelt dr. Arturo Cunanan, voormalig directeur van het ziekenhuis en tegenwoordig conservator van het museum. Hij werd zelf op Culion geboren en is een kleinzoon van leprapatiënten. “Veel patiënten kiezen ervoor hierheen te komen vanwege de goede zorg, maar ook omdat ze weten dat ze hier niet worden gediscrimineerd.” Sommigen, die geen familie meer hebben, vormen groepjes van vier of vijf personen en leiden samen een rustig bestaan.

In de wijk Tiza staan nog altijd de kleine huizen die destijds voor de patiënten werden gebouwd, inmiddels vrolijk overgeschilderd in felle kleuren. Ook is er nog een klein theater waar vroeger op zondagmiddag concerten werden gegeven. De bewoners genieten vanuit hun ramen van de koelte.Ondanks de littekens van het verleden is Culion uitgegroeid tot een symbool van veerkracht. Het Eiland van de Levende Doden is veranderd in het Eiland van Hoop.