My Heart Will Go On

Een medisch journalist krijgt onverwacht een hartaanval en ontdekt hoeveel ze niet wist over de doodsoorzaak nummer één bij vrouwen – en mannen

Melinda Lawrence

Ik lig in een ziekenhuisbed en probeer te bevatten wat er is gebeurd. Maar alles waar ik me op kan richten zijn populaire songtitels:

Miley Cyrus en Mark Ronsons
“Nothing Breaks Like a Heart” …

Céline Dions “My Heart Will Go On” …

Blondies “Heart of Glass” …

The Bee Gees’ “How Can You Mend
a Broken Heart” …

Stings “Be Still My Beating Heart” …

Nee! Niet die laatste! Het laatste wat ik wil, is dat mijn hart stil blijft staan. Alsjeblieft, alsjeblieft, alsjeblieft: blijf kloppen.

Het is pas een paar dagen geleden dat ik profiteerde van een prachtige vrijdag in september om eens lekker te spijbelen. Ik had besloten mijn thuiskantoor te verlaten, een beetje door New York City te dwalen en de werktijd later in het weekend in te halen. De dag was perfect. Ik kreeg een gratis gezichtsbehandeling aangeboden door een cosmeticabedrijf op Herald Square. Ik at een heerlijke salade voor de lunch bij een van mijn favoriete restaurants. Met een cadeaubon die ik al maanden bij me droeg, kocht ik nieuwe lingerie. En toen ik me volkomen tevreden voelde en me afvroeg wat ik hierna zou gaan doen, voelde ik een vreemde sensatie in mijn borst.

Het deed geen pijn. Het was gewoon vreemd. En op de een of andere manier voelde het ook diep, ernstig verkeerd. Het was alsof iemand een elastisch verband had genomen en het strak om mijn borst had gewikkeld. Een beklemming, maar niet overdreven strak. En ik werd overvallen door een gevoel van bijna existentieel onheil, alsof dat elastische verband – bedoeld om te genezen – me zou doden.

Ik liep naar het station en ging naar huis. Eenmaal daar dronk ik wat water en ging ik op de bank zitten, terwijl ik probeerde diep adem te halen en kalm te blijven. Al snel verdween het vreemde gevoel en probeerde ik te vergeten dat het ooit was gebeurd. Maar in de loop van het weekend kwam het telkens even terug en verdween daarna weer.

Elke keer als die beklemming terugkwam, raakte ik in paniek. En zodra het weer verdween, voelde ik me opgelucht en probeerde ik mezelf ervan te overtuigen dat het voorgoed voorbij was. Maar ik wist dat dat niet zo was.

Dus zonder iets tegen mijn man te zeggen reed ik zelf naar de dichtstbijzijnde spoedeisende hulp, half in de overtuiging dat ze me zouden vertellen dat ik me aanstelde en dat ik waarschijnlijk gewoon last had van indigestie. Of misschien van gas. Alles, als het maar geen hartaanval was. Ik zat zelfs zo diep in de ontkenning dat ik erover dacht om naar de spoedeisende hulp te lópen – die ruim twee mijl verderop lag – gewoon om aan mijn dagelijkse beweging te komen. Uiteindelijk won het gezonde verstand en nam ik de auto.

Bij de balie van de spoedeisende hulp gingen ze niet uit van indigestie. Zodra ze me “beklemming op de borst” hoorden zeggen, brachten ze me naar een onderzoeksruimte en sloten ze me aan op een elektrocardiogram. Iemand wierp een blik op de resultaten en liet me daarna alleen… heel lang.

In plaats van me te ergeren, was ik opgelucht. Ik redeneerde dat als het ECG iets afschuwelijks had laten zien, ze me niet alleen zouden hebben achtergelaten. Ik keek in mijn dossier naar de uitslag, die leek te wijzen op een paar kleine onregelmatigheden, maar niets wat schreeuwde: onmiddellijk gevaar! Maar er was ook bloed afgenomen, en toen die uitslag binnenkwam, veranderde alles.

In mijn bloed zat een verhoogd niveau van troponine, een eiwit dat de hartspier afgeeft wanneer cellen beschadigd raken. Met andere woorden: ik had een hartaanval – of had er heel recent een gehad. Verder onderzoek liet zien dat een aantal bloedvaten in mijn hart bijna volledig verstopt was, waardoor mijn hartspier niet genoeg bloed en zuurstof kreeg om normaal te functioneren.

Een arts kwam vertellen dat ik ingepland stond voor een ingreep waarbij stents zouden worden geplaatst om de bloedvatwanden open te houden. Het ging om een minimaal invasieve procedure waarbij een slangetje met de stents via mijn lies naar mijn hart zou worden geleid, waar ze geplaatst zouden worden om de slagaderwanden van elkaar te scheiden en open te houden. Dat was het moment waarop ik mijn man belde om hem te vertellen wat er aan de hand was.

Ik werd wakker na de procedure en hoorde toen dat die helemaal niet had plaatsgevonden. De vernauwingen in mijn slagaders zaten allemaal op kruispunten van bloedvaten, en daar konden geen stents worden geplaatst. Ik zou worden overgebracht naar een ander ziekenhuis voor een spoed-bypass: een openhartoperatie.

Op dit punt moet ik vermelden dat ik medisch journalist ben. Ik heb het grootste deel van mijn carrière over gezondheid geschreven, vaak specifiek over de gezondheid van vrouwen. Ik weet heel goed dat hartziekten de belangrijkste doodsoorzaak zijn bij vrouwen – en mannen – in de Verenigde Staten. Ik weet ook wat de belangrijkste risicofactoren zijn, en juist daarom dacht ik ten onrechte dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Ik rook niet. Ik had geen hoog cholesterol, geen hoge bloeddruk en geen verhoogde bloed-
suikerspiegel. Ik was anderhalf jaar eerder flink afgevallen en sportte regelmatig. Mijn dieet was niet perfect, maar wel behoorlijk gezond. Omdat mijn waarden goed waren en ik me niet bewust was van een belastende familiegeschiedenis, dacht ik niet dat ik een hoog risico liep. Mijn vader had weliswaar een hartaanval gehad en een bypassoperatie ondergaan, maar dat was gebeurd toen hij in de zeventig was. Ik was nog maar net zestig. Eerlijk gezegd stond hartziekte gewoon niet op mijn radar. Kanker wel. Heel veel leden van mijn familie, verspreid over generaties, waren aan kanker overleden, vaak op jonge leeftijd. Ik was dan ook nauwgezet als het ging om controles op darmkanker, borstkanker, baarmoederhalskanker, eierstokkanker, huidkanker, enzovoort. Ik dacht dat ik alles onder controle had. Ha.

Ik arriveerde in het grotere ziekenhuis na een nachtelijke overplaatsing per ambulance. Op de een of andere manier waren mijn man, zoon, ouders en broers en zussen er al om me op te wachten. Ik maakte kort kennis met de chirurg, die me tijdens de operatie op een hart-longmachine zou aansluiten om me in leven te houden. Door een waas van verdoving keek ik naar de man die mijn ribbenkast zou openzagen en mijn hart in zijn handen zou houden terwijl delen van slagaders uit mijn linkerbeen – slechts een paar uur eerder verwijderd – in mijn hart werden gehecht.

Het volgende wat ik me herinner, is dat ik wakker werd op de uitslaapkamer. Ik keek omhoog naar de muur en mompelde dat de datum op een prikbord onmogelijk kon kloppen. En dat deed hij ook niet. De verantwoordelijke verpleegkundige waarschuwde onmiddellijk iemand dat ik wakker was en “ongewoon alert”.

Ik kreeg de opdracht in een plastic buisje te ademen. “U heeft jonge longen”, merkte de verpleegkundige op. “En blijkbaar een oud hart”, antwoordde ik. Maar aangezien mijn hart net was “gerevasculariseerd”, zou het zich misschien ook jonger gaan gedragen. Ik was buitengewoon tevreden dat ik die ochtend de eerste was die na de operatie de uitslaapkamer mocht verlaten en naar een gewone ziekenhuisafdeling werd overgebracht.

En zo kwam het dat ik in een ziekenhuisbed lag en in gedachten lijstjes maakte van songtitels waarin het woord ‘hart’ voorkwam.

De volgende paar dagen waren ongemakkelijk. Ik werd voortdurend gemonitord, geprikt en aangesloten op een reeks slangen, waardoor uit bed komen om naar het toilet te gaan een hele onderneming werd. Ik sliep veel en had ongelooflijk levendige dromen waar ik nog steeds over nadenk. In een ervan was ik op een feestje, en de olympische turnster Mary Lou Retton was een van de gasten.

“Mijn god, ik bewonder je zo; je bent zo sterk”, flapte ik er enthousiast uit.

“O nee, jij bent degene die sterk is!” antwoordde zij.

Je hoeft geen psychiater te zijn om te begrijpen wat die droom betekende.

In een andere droom was ik ’s nachts alleen op een prachtig Italiaans plein, omringd door schitterende witte marmeren gebouwen. Op de gebouwen werden herhaaldelijk beelden geprojecteerd van de beroemde Japanse houtdruk De grote golf van Kanagawa, van Hokusai. Het was de mooiste plek waar ik ooit was geweest, en ik herinner me dat ik het gevoel had dat ik er nooit meer weg wilde. Ik heb me altijd afgevraagd of die droom een soort bijna-doodervaring was waar mensen over spreken, al ben ik voor zover ik weet in het ziekenhuis nooit dicht bij de dood geweest. Een paar dagen na de operatie werden alle slangen verwijderd, waren de artsen ervan overtuigd dat mijn vitale functies goed waren en was de revalidatiespecialist van het ziekenhuis tevreden dat ik zelf kon lopen. Ik mocht naar huis.

Mijn man reed terwijl ik, zoals voorgeschreven, op de achterbank zat en een kussen tegen mijn borst drukte ter bescherming. Na dagenlang mijn emoties te hebben ingehouden en me uitsluitend op overleven te hebben gericht, barstte ik de hele autorit naar huis in hevig snikken uit.

Ik was geneigd het een tijdje rustig aan te doen, maar mijn man had andere plannen. Bovenaan de lijst: een wandeling in het park. Hoewel ik altijd van wandelen had gehouden, voelde ik me zwak en wankel. Geen probleem, vond mijn man: laten we in elk geval één rondje doen – een halve mijl. De volgende dag werd het een hele mijl. Blijkbaar was dit zijn idee van een herstelplan, waaraan ik mee moest doen. Maar ik ben hem dankbaar dat hij me heeft aangemoedigd.

Toen de wijkverpleegkundige langskwam om mijn zorgbehoefte na de operatie te beoordelen, zei ze dat ik waarschijnlijk een rollator nodig zou hebben. Ik vertelde haar dat dat niet nodig was. Ze vroeg of ik haar wilde laten zien hoe ik de trap op en af ging. Ik rende zo snel ik kon de trap op en af. Geen sprake meer van een rollator!

Zodra het mocht – iets meer dan een maand na de operatie – begon ik met hartrevalidatie in het plaatselijke ziekenhuis. Opnieuw realiseerde ik me dat mijn medische journalistiek me eigenlijk geen goed beeld had gegeven van hartpatiënten en -overlevenden. Ik had gedacht dat ik, klein van stuk en mezelf nog niet als oud beschouwend, zou trainen naast veel oudere en zwaardere mannen. Maar de werkelijkheid was heel anders.

Er was een lange, slanke en zeer chic geklede vrouw die bij haar tandarts was geweest met klachten van kiespijn en kaakpijn. Toen hij niets kon vinden, had hij haar onmiddellijk naar de spoedeisende hulp gestuurd. Ja hoor, ook zij had een hartaanval gehad.

Er was een nog vrij jonge man die niet wilde dat wat er was gebeurd zijn zelfbeeld van stoere, sportieve buitenman zou aantasten. Hij probeerde altijd de zwaarste gewichten te tillen die er waren.

Er was een kleine oudere dame die altijd werd vergezeld door haar zeer zorgzame man. Ze had moeite zelfs maar gewichten van twee pond op te tillen en zag dat als gewoon weer een medisch probleem erbij, aangezien ze er al zoveel had.

We werden een nogal eclectische, maar elkaar wederzijds ondersteunende trainingsgroep. We wisselden elkaar af op de verschillende fitnessapparaten. Maar niemand die de ruimte binnenliep, zou het voor een gewone sportschool aanzien. Om te beginnen had ieder van ons elektroden op verschillende plekken op de borst geplakt. Een muur vol beeldschermen stuurde de gegevens door naar de verpleegkundigen en revalidatiespecialisten die met ons werkten. Trots op mijn snelle wandeltempo voerde ik de snelheid op de loopband op, totdat een van de verpleegkundigen me toeriep dat ik het rustiger aan moest doen. Ik kon haar er niet van overtuigen hoe goed het voelde om weer op die manier te kunnen bewegen. Elke keer dat iemand uit de groep het programma afrondde, was er een kleine viering, compleet met een afstudeercertificaat en gezonde versnaperingen.

Terwijl mijn lichaam herstelde, worstelde mijn hoofd met wat er was gebeurd. Hoe kon ik mijn lichaam ooit weer vertrouwen? Zou ik zonder iemand die mijn hart in de gaten hield ooit weer kunnen sporten of zelfs wandelen zonder bang te zijn dat het opnieuw zou gebeuren? Het fysieke deel van de hart-
revalidatie was uitstekend, maar waarom was er geen psychologische component? Na de euforie van het overleven voelde ik de nasleep van het moeten accepteren van een veranderd – en, zo hoopte ik, niet verminderd – zelf.

Ik heb enorm veel geluk gehad dat de operatie en revalidatie goed zijn verlopen, dat er weinig tot geen schade aan mijn hartspier is ontstaan en dat ik nu als gezond word beschouwd. Ik neem al mijn medicijnen trouw in, waaronder een statine (om mijn cholesterol laag te houden), een bètablokker (om mijn bloeddruk te verlagen) en een lage dosis aspirine (om bloedstolsels te helpen voorkomen). Waarschijnlijk zal ik deze medicijnen de rest van mijn leven moeten blijven gebruiken. Ik heb mijn dieet verder aangepast om het nóg gezonder te maken (maar het is nog steeds niet perfect – koolhydraten!). Ik heb net zo lang gezocht tot ik de juiste cardioloog voor mij had gevonden, en ik zie haar elke zes maanden voor bloedonderzoek en een lichamelijk onderzoek. Er zijn geen beperkingen op mijn activiteiten.

Voordat ik het ziekenhuis verliet, had ik de arts gevraagd of ik, als ik dat zou willen, weer voor een marathon zou kunnen trainen. Toen hij ja zei, antwoordde ik: “Dat wil ik eigenlijk niet echt, maar het is fijn om te weten dat het zou kunnen.”

Het is inmiddels meer dan zes jaar geleden dat die ‘perfecte’ dag in New York City veranderde in een van de slechtste dagen van mijn leven. Ik denk er bijna dagelijks aan terug wanneer ik mijn medicijnen inneem, en elke keer dat ik met vrienden uit eten ga en gerechten moet afslaan.

Ik word er ook aan herinnerd wanneer ik ’s ochtends douche en me aankleed en het vervaagde litteken van zo’n twintig centimeter midden over mijn borst zie lopen. Maar het zijn ook dagelijkse herinneringen aan hoe goed ik me voel, hoe gelukkig ik ben dat ik goede medische zorg heb gekregen en hoeveel waardering ik heb voor mijn geweldige man en zoon, mijn fantastische ouders en broers en zussen, en mijn ongelooflijke vrienden. 

Bovenal voel ik me bevoorrecht dat ik als journalist mijn ervaring kan gebruiken om deze boodschap met zoveel mogelijk mensen te delen en – zo hoop ik – te voorkomen dat hetzelfde anderen overkomt. Wat mij betreft ben ik vastbesloten dat mijn hart zal doorgaan. Nog heel lang.

*Melinda Lawrence is niet haar werkelijke naam